Niet alles verandert zo drastisch als wij soms denken. Neem de vos Reynaerde, op schrift gesteld door Willem, die ook Madoc schreef.
Hij kwam voor het eerst op mijn pad in 4VWO, waar middeleeuwse teksten doorgaans het laatste zijn waar je aandacht naar uitgaat. Ten prooi gevallen aan een collectieve uitbraak van hormonen, die ons – onzichtbaar – naar elkaar toe trokken, hadden wij niet gemerkt dat onze docente Nederlands er stilletjes tussenuit was geglipt. Pas toen de deur van het lokaal met een smak dichtsloeg, schrokken we op.
Op het bord stond dat frisse lucht ons goed zou doen.
Toen we naar buiten gingen, zagen we op het grasveld een kleine gestalte zitten met een boek op schoot. Ze zwaaide naar ons. Zo kwamen wij op een zomerdag, languit liggend in het gras, nog steeds interesse veinzend – maar toch al minder dan eerst – in aanraking met Reynaert de Vos.
Bijna veertig jaar later zit mijn 16-jarige zoon te leren voor zijn toets Nederlands. Ondanks de ongemakken van een jongen op die leeftijd verdiept hij zich al de hele ochtend in de lotsbestemming van Bruun, Tybeert en Cuwaert. Tijdens een pauze komt hij mijn werkkamer binnengewandeld en begint te orakelen over maatschappijkritiek, hypocrisie en ontmaskering van corruptie. Onaangekondigde monologen zijn de studiemethode van mijn zoon, waarmee hij onderzoekt hoe zijn publiek reageert. Ik luister met belangstelling.
Aan het einde van de opvoering valt een korte stilte. Normaal steek ik op dit punt van wal met een tegenmonoloog, maar de verzengende hitte die op deze junidag in huis hangt, ontneemt me de adem. Mijn zoon spoedt zich de kamer uit. “Even aan de frisse lucht!”, hoor ik hem roepen als hij wat later uit de wc komt, momenteel de koelste ruimte in ons huis. Ik hing er een half jaar geleden een nieuwe poster op.
Beneden slaat de voordeur dicht. Ik stel me voor hoe mijn zoon languit liggend in het gras aan zijn vrienden vertelt waar hij al die maanden in onwetendheid heeft naar zitten kijken.
De rosse met zijn spitse snuit in maatpak op onze plee – het kan maar beklijven.
Sarah De Preter